Jan Hendrik Kalter ° 1767 1837 ouders: zie hoofdstuk 8
x 1808
Jenneke ter Brake ° 1783 1847
Had zijn vader moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, de oudste zoon Jan Hendrik Kalter, die op het erf trouwde, lukte het nog minder. Vanaf 1795 tot zijn dood in 1837 is hij achtervolgd voor achterstallige betalingen van hypotheekrente, pacht, belasting en andere schulden. In 1810 was de totale schuld opgelopen tot 562,- , een vijfde van de waarde van het erf. Verzorgde hij het Kalter slecht of was het gewoon pech?
Bij de veetelling in 1799 had men bij Kalter twee melkkoeien en drie stuks jongvee. Dit is weinig als we weten dat het gemiddelde per erf in Twente toen vier à vijf koeien en even zoveel jongvee was. Soms besteedde hij met zijn vrouw en buren de tijd geheel verkeerd, zoals blijkt uit een rechtszaak en veroordeling in 1817.
De hut van Geertrui
Rechtzaak en veroordeling in 1817:
Gerrit Jan Stegeman, 66 jaar, boerenknecht
Siene Olde Dalhuis, 19 jaar uit de Lutte, meid bij Adolf Stegeman
Gerrit Jan Olde Stegeman, 60 jaar boerenknecht
Jan Hendrik Kalter 50 jaar en
Janna Kalter ( vrouw van Jan Hendrik ) 34 jaar geboortig uit Deurningen
Lambertus Olde Wolbert
Zouden het houtwerk en de hut van Geertrui Hofste in het Lemselerveld hebben weggehaald en Kaalters vrouw en Stegeman zouden daar hun vee de rogge en deels het vlas en aardappelen op de kamp bij de hut hebben laten opvreten.
Getuigen: Jan Smellink, 44 jaar boerenknecht
Gerrit Jan Scholten, 37 jaar Lemselo en
Jannus Olde Wolbert, boer
Gerrit Jan Stegeman zegt dat hij het hout dat hij bij zich had, had gevonden in het veld. Olde Dalhuis zegt dat ze het hout had gehaald van de kamp van Adolf Stegeman. Olde Stegeman zegt daarvan twee stukken gekocht te hebben en de andere twee in het veld gevonden. Kalter ontkent.
Gerrit Jan Olde Stegeman en Sien Dalhuis moeten vijf jaar zitten en nog 36,- betalen. Janna Kalter moet 5,- schade vergoeding betalen. De andere twee worden vrijgesproken
Het kwam vaker voor dat arme mensen trachtten zich een bestaan op te bouwen op een plekje van de vrije markegrond. De boeren van de marke weerden deze indringers, desnoods met geweld. Zij waren namelijk deels van deze gemeenschappelijke woeste grond afhankelijk: de koeien werden er gehoed en men haalde er brandplaggen. Zag een nieuwkomer echter kans in een dag een onderkomen op te bouwen en te zorgen dat 's avonds de schoorsteen rookte, dan mocht hij niet meer verdreven worden. Het is duidelijk dat ze bij Geertrui Hofstede te laat kwamen, ze had al vlas en aardappelen op het land.
Ook laatste eigen bezit verkocht
In 1808 was Jan Hendrik getrouwd met Jenneke ter Brake, dochter van Albert ter Brake en Enne Kotte (Ter Brake noemt zich ook wel Schuurman). Ze kregen zes kinderen waarvan de jongste, Gezina, stierf toen zij één jaar was. Ook vier van de anderen stierven veel te jong, zoals verder uit de doeken gedaan wordt. Was het Kalter toch een ongezonde woonplaats?
In 1824 verkopen Jan Hendrik en broer Jan een huis in Oldenzaal, te weten het huis nr. 154 te Oldenzaal, tussen het huis van Theodorus Kistenmaker, rentenier, bewoond door de Wed. van Jannes Teunsen en de hof van Gerrit Rijstman. Is dit het huis dat in 1780 is nagelaten door hun oom Herman Luttikhuis? Jan Hendrik zal het geld nodig hebben gehad om zijn schulden te vereffenen. In 1834 is hij genoodzaakt een eigen bezit, te weten een stuk bouwland op de Broake, de Oelenkamp genaamd en ruim 2½ ha. groot, te verkopen. De akte vermeldt dat hij dit stuk grond van zijn vader heeft geërfd, 40 jaar geleden.
Jan Hendrik overlijdt op 27 februari 1837, 69 jaar oud, op het Kalter. De aangevers van zijn dood bij de burgerlijke stand schatten zijn leeftijd op 75.
Jenneke of Janna ter Brake mag nog tot 11 november (Martinus) 1841 op Kalter blijven wonen. De pacht zal opgezegd zijn door de Domeinen [instantie die de goederen van de staat beheerd] in verband met de vele schulden. Van de gemaaide rogge op het land in augustus 1837 verkoopt ze publiekelijk twintig viemme, opbrengst 85,90. Zij leeft nu in armoede. Het jaar daarop lenen zij en haar zoon Gerard 120,- van Ruben Kan, winkelier in Oldenzaal. Als onderpand dient het laatste bezit, de stukjes bouwland H265 en 268 gelegen bij het Olde Kalter.
Naar dat Olde Kalter zullen zij en haar zonen Gerard en Jan vertrokken zijn in 1841, want als Janna ter Brake in 1847 het tijdige met het eeuwige verwisseld woont ze op die plaats. Met Jan Hendrik en zijn zonen mag het dan mislukt zijn op het Kalter, de familie is dit bezit niet vergeten zoals later zal blijken.
Kalter in particuliere handen
De Domeinen hebben ondertussen het Kalter in 1839 verkocht aan Johan Wolf, koopman te Arnhem, voor de prijs van 2750,- Op zijn beurt verkoopt Wolf het weer in 1840 aan Wilmink, burgemeester te Weerselo. Pachter vanaf 11 november 1841 is Jan Damink.
Jan Hendrik Kalter ° 8-8-1767 27-2-1837
Kx 15-11-1808
Joanna ter Brake 8-5-1847
|
+
Joanna ° 22-12-1808
|
+
Gerrit Jan ° 3-11-1811
|
+
Harmina ° 21-6-1814
|
+
Gerard ° 5-3-1817
|
-
Jan ° 26-10-1819
Hoe het deze kinderen Kalter verging
Joanna: zij huwt in 1832 met Berend Jan Kamphuis uit Losser welke laatste reeds in 1835 komt te overlijden. Joanna komt dan weer thuis wonen en bevalt, ongetrouwd, in 1839 van een dochter die Joanne gedoopt wordt. De pastoor wil weten wie de vader is. Het blijkt Johan Helt te zijn die dat ook erkent. Joanne en Johan Helt trouwen echter niet en Joanne sterft jong in 1846 op 37-jarige leeftijd. Het kind is door samensteller niet teruggevonden. Is zij misschien door familie geadopteerd?
Gerrit Jan: ook deze Kalter heeft geen lang leven, Hij moet rond 1830 in militaire dienst en wordt fuselier bij het depot der 7e afdeling Infanterie Nationale Militie. Hij wordt ziek en overlijdt thuis op 14 november 1831.
Harmina: zij vindt als man de zoon van de buurman, Gerrit Jan Wolberink wonend op het Olde Wolbert. Ze krijgen vier kinderen waarvan er twee zeer jong overlijden. Harmina sterft eveneens jong, in 1847, ze is dan 33 jaar oud.
Gerard: het begint er op te lijken dat de Kalters getroffen zijn door een besmettelijke ziekte of dat de levensomstandigheden ook op het Olde Kalter bijzonder slecht waren. Het erfje was zeker niet groot genoeg om van te bestaan, dus zullen ze in of buitenshuis bijverdienste hebben gezocht. Het thuisweven van katoen voor fabrikanten was heel algemeen op het platteland. Mogelijk hebben ze daar op Olde Kalter een paar grijpstuivers mee verdiend. In 1845 was er echter een crisis in de katoennijverheid en in hetzelfde jaar mislukte de aardappeloogst totaal. De winter van 1845 was zeer streng en de graanoogst van 1846 mislukte. Bij elkaar genoeg om de mensen die afhankelijk waren van deze produkten in ernstige moeilijkheden te brengen. Men leed honger, raakte ondervoed en zodanig verzwakt dat men de koortsepidemieën in de jaren 1846 en 1847 niet aankon. Er vielen veel doden te betreuren in die tijd. Ook Gerard overlijdt in 1847, een maand na zijn moeder. Hij is niet gehuwd geweest.
Jan: hij is de enige die een redelijke ouderdom bereikt. Ten tijde van de ongezonde jaren 1845 - 1846 was hij dienstknecht in Oldenzaal. Daardoor heeft hij waarschijnlijk deze slechte tijden overleefd. Zijn pad is echter zeker niet over rozen gegaan. In 1850 huwt hij een Duitse en later moet hij nog twee maal een andere vrouw zoeken. Vier van zijn zeven kinderen overlijden tijdens zijn leven en kleinkinderen heeft hij hoogst waarschijnlijk niet meegemaakt.
Het Olde Kalter, dat ook eigendom is van burgemeester Wilmink van Weerselo, kan hij in 1858 huren. Het omvat dan een woonhuis met 1½ ha. grond. Om iets bij te verdienen gaat hij smokkelen. In 1862 wordt hij veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voor frauduleus vervoer van goederen. In het gerechtelijk stuk staat hij goed beschreven:
Jan Kalter zv. Jan en Johanna ter Brake geboren en wonende te Weerselo, 40 jaar, gehuwd, Twentse tongval, boer, Rooms, 175 lang, ovaal gezicht, ronde plet en kin, gewone mond, blauwe ogen, bruin haar, spitse neus en blozende kleur
(plet: voorhoofd)
In 1869 koopt hij het erf van de nu oud-burgemeester Wilmink plus enige percelen grond : H 559 t/m 562, 564-616-618 en 741, het geheel voor 950,- Hij heeft niet genoeg eigen geld en leent van zijn neef Lambertus Wolbert 250,-.
Jan Kalter ° 26-10-1819 1-2-1885
Bx 24-1-1850
Wilhelmina B. Buten ° 1824 te Tirene, Koninkrijk Hannover 1864
|
+
Jan Hendrik ° 1851 ° 1873 ongehuwd
|
+
Naatje ° 1853 1882 ongehuwd
|
+
Jan ° 1855 1877 ongehuwd
|
+
Gerhard ° 1857
|
-
Maria ° 1859 1900 ongehuwd
Jan Kalter
Bx 14-1-1865
Euphemia Olde Keizer ° 1836 1-5-1866
|
-
Geertruida ° 1865 1866
Jan Kalter
Bx 9-10-1866
Zusanna Tulkshuis ° 1828
|
-
Mina ° 1867
De jongste dochter Mina huwt in 1888 met G. Joostink. Als deze in 1890 overlijdt, hertrouwt zij in 1893 met G. Lansink uit Tubbergen.
Gerhard is in 1880 naar Duitsland gegaan, maar komt weer terug. In 1891 is hij de peetvader van Lambertus Wolbert. Nadien is niets meer van hem gevonden. Informatie door schrijver bij de Kalters wonend in of in de buurt van Oldenzaal leverde niets op. Men ontkende een nazaat van de laatste kleinzoon van Jan Hendrik Kalter te zijn.


