Johannes Wolbert ° 1878 1938 ouders: zie hoofdstuk 19
Bx 1909
Johanna Maria Hampsink ° 1885 1918
'n grootn Wolbert
Jens is de geschiedenis ingegaan als n grootn Wolbert en dit geldt letterlijk en figuurlijk. Letterlijk omdat het een man was van 190 cm lang, kaarsrecht en voor niemand vervaard. Hij was een harde werker die ook kon klootschieten als de beste. Figuurlijk omdat hij vooruit keek, als eerste nieuwe methoden toepaste in de landbouw en het Wolbert nog groter maakte.
In 1902, hij was toen 24 jaar en nog niet getrouwd, nam hij de kans waar en kocht voor zichzelf 10 ha. landbouwgrond uit het erve Stegeman voor een bedrag van 733,-. Hij had maar 580,- op dat moment en betaalde een tijdlang over de rest 4% rente. Ook later bleef hij uitkijken naar mogelijkheden om hetzij door koop, hetzij door ruilen geschikt bezit te verwerven.

Johannes Wolbert ° 15-5-1878 1938
Bx 22-4-1909
Johanna Maria Hampsink ° 3-4-1885 25-8-1918
|
+
Bernard ° 1910 1977 zie hoofdstuk 20a
|
+
Johan ° 1912 1989 zie hoofdstuk 20b
|
+
Hendrik ° 1914 2000 zie hoofdstuk 20c
|
+
Annie ° 1916 zie hoofdstuk 20d
|
+
Antoon ° 1918 1953 zie hoofdstuk 20e
Jens wordt vroeg weduwnaar
Uit het huwelijk met Johanna Maria Hampsink, een dochter van Hendrik Hampsink en Geertruida Oude Maatman ook uit Lemselo, werden in acht jaar zes kinderen geboren waarvan het tweede, een meisje, op de leeftijd van vijf jaar overleed. Jammerlijk genoeg overleed Johanna, kort na de geboorte van de jongste zoon Antoon. Jens bleef dus achter met vijf kleine kinderen en het was maar goed dat zijn moeder Johanna Egberink, die bij hem inwoonde, nog leefde.
Hij huwde in 1922 voor de tweede keer met Johanna Maria Luttikhuis, een 26-jarig meisje uit de buurt. Dit huwelijk bleef kinderloos. In 1915 bouwde hij voor zijn jongste broer een wönnerplaats tegenover het Wolbert. Een andere wönnerplaats was al eerder gerealiseerd aan de Lemseloseveldweg. De familie Wijnberg kwam daar op te wonen.
Johannes Wolbert ° 15-5-1878 1938
Bx 28-4-1922 (tweede huwelijk)
Johanna Maria Luttikhuis ° 13-3-1896 5-11-1968
Erfenis
Jens heeft niet lang kunnen genieten van zijn groot bezit; in 1938 komt hij vrij plotseling te overlijden na een fatale longontsteking. Vanaf dat moment begint tussen drie van de vier zonen een langdurig touwtrekken om het bezit dat hij achterlaat. Ook zijn tweede vrouw Johanna Luttikhuis is daarbij partij.
Men wordt het eens. Bernard Johan, in het dagelijkse leven Johan, blijft op het ouderlijke huis. Hendrik krijgt de wönnerplaats Timmertoon, vroeger gebouwd voor de jongste broer van Jens en Antoon gaat boeren op de plaats die Wijnberg steeds gehuurd had van Wolbert. Zijn stiefmoeder Johanna Luttikhuis komt bij hem inwonen. Zij overlijdt op een leeftijd van 72 jaar.

Onderduikers op erve Wolbert
Tijdens de tweede wereldoorlog verbleven er een aantal onderduikers op erve Wolbert, waaronder Ties Kloezeman, Joop Hage, Johan Loohuis en Henny Loohuis. Deze vier mannen waren niet de enige onderduikers. Ook de familie Welberg, een gezin van zeven personen wonend aan de Oldenzaalsestraat te Hengelo, is enkele maanden ondergedoken geweest vanwege de bombardementen op die stad. Toen bekend werd dat de leegstaande huizen in Hengelo gevorderd werden door de Duitsers, zijn ze noodgedwongen teruggegaan.
Ook kwamen vaak mensen rogge en boter kopen. Meestal kwamen ze uit Enschede, maar een enkele keer zelfs uit Amsterdam. Ze droegen speciale jassen met verborgen zakken. Soms werd er ook geruild tegen andere zaken zoals stoffen.
Ties Kloezeman was toen al getrouwd en woonde in Oldenzaal. Hij werkte bij de spoorwegen en was genoodzaakt vanwege de spoorwegstaking in september 1944 (op last van de Nederlandse regering in Londen) regelmatig onder te duiken. Hij dook ook soms onder bij een boer in Fleringen.
Joop Hage was de zoon van de enige veearts die Oldenzaal toen rijk was. Hij is later ook zelf veearts geworden in Bergen in Noord-Holland.
Johan Loohuis kwam ook uit Oldenzaal. Johan was niet zo actief op z’n onderduikadres. Hij kwam niet gemakkelijk uit z’n stoel en als het kon zat hij het liefst buiten in de zon. Hij was later leraar in Haaksbergen. Johan zat vaak met Ties te kletsen over hoe het wel verder moest na de oorlog.
Henny Loohuis was de jongste broer van Johan en de enige van de vier die nu (2003) nog leeft. Hun ouders hadden een drogisterij in de Boterstraat. Vanaf 1941 kwam Henny elke avond melk halen en soms ook rogge. Hij was toen 18 jaar. Hij maaide er ook gras voor z’n konijnen. Toen de Duitsers eens hun huis binnenvielen op zoek naar weerbare jonge mannen is hij (samen met Johan) via hun achtertuin over een hele hoge muur, via de tuin van Vennegoor weggevlucht. Hij begreep later zelf niet hoe ze hier overheen gekomen waren. Vanaf januari 1945 waren beide continu ondergedoken op de boerderij.
Henny was nogal huiselijk aangelegd want hij hielp graag met afwassen, keuken vegen, etc. Hij herinnert zich nog de tekst die stond op het handdoekrekje: "Mijn keuken is mijn trots". Maar hij hielp ook op de boerderij: de deel vegen, koeien water geven of knollen trekken.
’s Avonds ging iedereen op de knieën voor het avondgebed. Antoon en Hendrik zaten altijd achteraan, dicht bij de deur. Als er dan eens een bom viel deden ze gauw even de deur open om te kijken waar of dat gebeurd was. Henny herinnert zich nog heel goed de dag dat men bevrijd werd. Op 1 april 1945 ging hij naar huis en kreeg een zak vol met eieren mee, want het was Pasen.
Henny is later tandarts geworden en had zijn praktijk aan de Steenstraat te Oldenzaal. Hij heeft nog heel wat gaatjes gevuld bij ondergetekende.
Jan Wolbert, feb. 2003

Pentekening van erve Wolbert
De bovenstaande pentekening van erve Wolbert is ondertekend door de onderduikers Ties Kloezeman, Joop Hage, Johan Loohuis en Henny Loohuis.
De voorkant van het huis is afgebeeld. Je kunt zien dat het huis vele meters vóór de schuur uit steekt. De woonkamer bevindt zich achter de voordeur en de twee middelste ramen. Links naast de voordeur zat de zgn. mooie kamer. Aan de rechterkant was de slaapkamer waar Anneke sliep. Via de deur van de schuur ging Anneke vaak met de melkbussen naar binnen die ze ophaalde van de weg.
Uiterst links op de tekening is het kokhôk te zien, waar aardappelen voor het vee werden gekookt maar waar ook de witte was werd gekookt.
Daar waar schuur en huis aan elkaar grenzen zie je de put getekend. Het water ging via een ondergrondse pijp van de put naar het huis. Men beschikte toen al binnenshuis over zgn. zelfdrinkers voor de koeien.
Helemaal rechts op de tekening, tussen de bomen, zie je een schuurtje waarin eerder de kippen zaten, maar dat later in gebruik was als opslag voor brandhout, turf, etc.


